Een gletsjer lijkt misschien op een enorme, stilstaande massa van ijs, maar in werkelijkheid is het een langzaam bewegende ijsrivier. Gletsjers ontstaan uit sneeuw die jarenlang blijft liggen, steeds verder wordt samengeperst en uiteindelijk verandert in ijs. Voor wintersporters zijn ze extra interessant: ze liggen vaak hoog in de bergen, maken lange skiseizoenen mogelijk en laten tegelijk goed zien hoe snel het Alpenlandschap verandert.
In het kort
- 🧊 Een gletsjer is een grote massa samengeperst sneeuw en ijs die langzaam beweegt.
- 🏔️ Gletsjers ontstaan waar jarenlang meer sneeuw valt dan er smelt.
- 🌊 Door hun gewicht en de zwaartekracht stromen gletsjers langzaam als een rivier van ijs.
- 🌡️ Wereldwijd trekken veel gletsjers zich terug door stijgende temperaturen.
- ⚠️ Op gletsjers kunnen diepe spleten ontstaan; blijf als wintersporter altijd op gemarkeerde pistes.
Wat is een gletsjer?
Een gletsjer is een grote ijsmassa die op land ontstaat uit sneeuw die jarenlang blijft liggen. Door de druk van nieuwe sneeuwlagen verandert oude sneeuw eerst in firn en later in compact gletsjerijs. Zodra de ijsmassa zwaar genoeg is, begint die langzaam te vervormen en te bewegen.
Je vindt gletsjers vooral in poolgebieden en hooggebergten. In de Alpen liggen bekende gletsjers bijvoorbeeld bij Saas-Fee, Zermatt, Sölden, Stubai, Pitztal, Hintertux, Kaprun, Tignes-Val d’Isère, Les Deux Alpes en de Aletsch Arena. Voor skiërs en snowboarders zijn deze hooggelegen gebieden bekend vanwege de sneeuwzekerheid en vaak een extra lang skiseizoen.
Wat betekent het woord gletsjer?
Het woord gletsjer wordt gebruikt voor een langzaam bewegende massa landijs. In de gewone taal kun je een gletsjer omschrijven als een ijsrivier: een opeenstapeling van sneeuw en ijs dat niet stilstaat, maar onder invloed van zijn eigen gewicht langzaam naar beneden of naar buiten stroomt.
Een gletsjer is dus iets anders dan een gewoon sneeuw- of ijsveld. Pas wanneer sneeuw jarenlang blijft liggen, wordt samengedrukt en uiteindelijk als ijsmassa in beweging komt, spreken we van een gletsjer.
Hoe ontstaat een gletsjer?
Een gletsjer ontstaat op een plek waar jaar na jaar meer sneeuw valt dan er in de zomer wegsmelt. De onderste sneeuwlagen worden steeds verder samengedrukt door het gewicht van nieuwe sneeuw. Daardoor verdwijnen luchtbelletjes en verandert de sneeuw langzaam van structuur. Dat proces verloopt grofweg in drie stappen:
- Sneeuw blijft liggen. In hooggebergten of poolgebieden smelt niet alle sneeuw in de zomer weg.
- Sneeuw verandert in firn. Oude sneeuw wordt korreliger en compacter. Deze tussenfase heet firn.
- Firn wordt gletsjerijs. Door toenemende druk verandert firn uiteindelijk in hard, compact ijs.
Dit gebeurt niet in één winter. Het vormen van gletsjerijs kost veel tijd en vraagt om omstandigheden waarin kou, sneeuwval en hoogte samenkomen.
Wat is het verschil tussen sneeuw, firn en gletsjerijs?
Sneeuw, firn en gletsjerijs zijn verschillende fases in hetzelfde proces. Verse sneeuw bestaat nog uit losse ijskristallen met veel lucht ertussen. Als sneeuw langer blijft liggen en steeds verder wordt samengedrukt, verandert die in firn: korrelige, compacte oude sneeuw.
Pas wanneer de druk nog groter wordt en veel lucht uit de massa verdwijnt, ontstaat hard gletsjerijs. Dat ijs is veel compacter dan sneeuw en kan uiteindelijk onderdeel worden van een bewegende gletsjer.
Waarom beweegt een gletsjer?
Een gletsjer beweegt door zwaartekracht. Het ijs is zo zwaar dat het langzaam vervormt en naar beneden of naar buiten stroomt. Dat gebeurt niet zoals water in een rivier, maar meer als een taaie, langzaam bewegende massa.
Daarnaast kan er onder een gletsjer smeltwater aanwezig zijn. Dat water kan ervoor zorgen dat het ijs makkelijker over de ondergrond glijdt. Ook de helling, de dikte van het ijs, de temperatuur en de vorm van het dal bepalen hoe snel een gletsjer beweegt.
Hoe snel beweegt een gletsjer?
Daar is geen vast antwoord op. Sommige gletsjers bewegen maar heel langzaam, terwijl andere veel sneller zijn. Veel gletsjers verplaatsen zich slechts centimeters per dag, maar er bestaan ook snelle gletsjers die meters per dag kunnen afleggen. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij een zogeheten gletsjersurge, kan een gletsjer tijdelijk veel sneller bewegen.
In de Alpen merk je die beweging meestal niet met het blote oog. Een gletsjer lijkt stil te liggen, maar meetapparatuur laat zien dat het ijs wel degelijk in beweging is. Dat is ook de reden dat gletsjers spleten vormen, rotsmateriaal meenemen en het landschap langzaam uitschuren.
Welke soorten gletsjers bestaan er?
Niet elke gletsjer ziet er hetzelfde uit. Gletsjers kunnen worden ingedeeld op basis van vorm, ligging, grootte en temperatuur. Voor een goed begrip zijn vooral deze soorten belangrijk:
Voor wintersporters zijn vooral berg- en valleigletsjers relevant. Die liggen vaak in hoogalpiene gebieden waar ook pistes, liften en bergstations te vinden zijn.
Waar vind je gletsjers in de Alpen?
In de Alpen liggen veel bekende gletsjers in Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk en Italië. Denk aan de Aletsch Gletscher (Aletsch Arena) in Zwitserland, de Pasterze bij de Grossglockner, de Mer de Glace bij Chamonix en de hooggelegen gletsjers rond Zermatt, Saas-Fee, Sölden, Stubaital, Pitztal en Kaprun.
Een deel van deze gletsjers is verbonden met skigebieden. Andere gletsjers zijn vooral bekend als indrukwekkend natuurverschijnsel. Juist die combinatie maakt de Alpen interessant: je ziet er hoe gletsjers het landschap vormen én hoe skigebieden zich aanpassen aan een veranderende bergwereld.
Waarom trekken gletsjers zich terug?
Een gletsjer groeit als er bovenin meer sneeuw en ijs bijkomt dan er onderaan smelt. Als er meer ijs verdwijnt dan erbij komt, wordt de massabalans negatief. De gletsjer wordt dan dunner, korter en trekt zich terug.
Dat gebeurt wereldwijd op grote schaal. De afgelopen jaren behoorden tot de zwaarste verliesjaren voor gletsjers sinds het begin van de metingen. Ook in de Alpen is dat goed zichtbaar. Waar vroeger ijs lag, komen rotsen, morenen en gladgeschuurde dalbodems tevoorschijn.
Voor gletsjerskigebieden heeft dat gevolgen. Pistes, lifttracés, sneeuwmanagement en zomerse activiteiten moeten steeds vaker worden aangepast aan de veranderende omstandigheden op het ijs.
Wat zijn gletsjerspleten?
Gletsjerspleten zijn diepe scheuren in het ijs. Ze ontstaan doordat een gletsjer beweegt, vervormt en op verschillende plekken niet overal even snel stroomt. Waar het ijs onder spanning komt te staan, kan het openscheuren. Zulke spleten kunnen smal zijn, maar ook meters breed en tientallen meters diep.
Voor wintersporters en bergwandelaars kunnen gletsjerspleten een veiligheidsrisico zijn. In de winter kunnen ze verborgen liggen onder een laag sneeuw. Blijf daarom altijd op de geprepareerde pistes en ga nooit zomaar buiten de pistes. Op gemarkeerde pistes in gletsjerskigebieden wordt het terrein gecontroleerd en geprepareerd. Wie buiten beveiligd terrein een gletsjer op gaat, heeft kennis, ervaring, de juiste uitrusting en bij voorkeur een gids nodig.
Wat is dood gletsjerijs?
Dood gletsjerijs is ijs dat is losgeraakt van de bewegende gletsjer. Het maakt geen deel meer uit van de stromende ijsmassa en beweegt dus niet meer mee. Vaak blijft zo’n stuk ijs achter onder puin, stenen of morenemateriaal en smelt het langzaam weg.
Het wordt dood ijs genoemd omdat het niet meer beweegt zoals een actieve gletsjer. Toch kan het nog jarenlang in het landschap aanwezig blijven, zeker wanneer het bedekt is met een isolerende laag stenen of puin.
Waarom is gletsjerijs blauw?
Gletsjerijs kan opvallend blauw lijken. Dat komt doordat samengeperst ijs weinig luchtbelletjes bevat. Licht kan daardoor dieper het ijs binnendringen. Het ijs absorbeert vooral rood en geel licht, terwijl blauw licht wordt doorgelaten en verstrooid. Daardoor krijgt compact gletsjerijs die diepe blauwe kleur.
Toch ziet een gletsjer er lang niet altijd blauw uit. In de zomer is het oppervlak vaak grijs, bruin of zwart door steengruis, stof en puin dat op het ijs terechtkomt. Ook verse sneeuw kan het blauwe ijs aan het zicht onttrekken.
Hoe ziet het oppervlak van een gletsjer eruit?
Het oppervlak van een gletsjer is veel minder glad dan je misschien denkt. Je ziet er sneeuwvelden, ijsplaten, spleten, smeltwatergeulen, stenen, puin en soms kleine beekjes. In de zomer wordt het ijs vaak donkerder, omdat stof en gesteente op het oppervlak achterblijven.
Dat donkere oppervlak heeft ook invloed op het smelten. Schoon, wit sneeuwoppervlak weerkaatst veel zonlicht. Donker ijs of ijs met puin neemt meer warmte op, waardoor het smeltproces kan versnellen. Op webcams van gletsjerskigebieden is dat verschil vaak goed te zien: witte sneeuwvelden maken later in het seizoen steeds vaker plaats voor donkerder ijs, rotsen en smeltwatergeulen.
Wat betekent een gletsjer voor wintersporters?
Voor wintersporters zijn gletsjers vooral bekend van hooggelegen skigebieden. Omdat gletsjers vaak op grote hoogte liggen, blijven de temperaturen er lager en kan het seizoen langer duren. Sommige gletsjerskigebieden openen al vroeg in de herfst, andere blijven tot ver in het voorjaar of zelfs een deel van de zomer open.
Toch is skiën op een gletsjer geen garantie op perfecte sneeuw. Ook op grote hoogte spelen temperatuur, wind, zon, neerslag en klimaatverandering een rol. Bovendien zijn gletsjers dynamische gebieden. Pistes en liften moeten regelmatig worden aangepast aan de stand van het ijs.