Of je nu af en toe een World Cup wedstrijd meepikt, naar de Olympische Winterspelen kijkt of juist elk weekend voor de buis zit: alpineskiën wordt leuker als je de basis kent. Van de slalom tot Super G: welke onderdelen zijn er, hoe werkt de timing en waarom is het materiaal per discipline zo verschillend? In dit blog gaan we dieper in op de disciplines en termen uit het alpineskiën.
In het kort:
- Ontdek hier de belangrijkste disciplines in het alpineskiën: slalom, reuzenslalom, super-G, afdaling, alpine combinatie en parallel (met de officiële afkortingen).
- Zo werken de races: slalom en reuzenslalom gaan in 2 runs (waarbij de snelste 30 in run 2 omgekeerd starten), terwijl alpine combinatie tijden optelt over een snel onderdeel + slalom.
- Waarom materiaal en bescherming per onderdeel verschillen: van korte, wendbare ski’s in de technische disciplines tot lange, stabiele ski’s voor pure snelheid.
Geschiedenis van het alpineskiën: terug naar 1850
Het alpineskiën is ontstaan in 1850, toen een Noorse skiër erachter kwam dat het makkelijker was als je hielen ook vast zaten op de ski. Tot die tijd zaten namelijk alleen de tenen vast aan de ski's, net als bij langlaufen het geval is. Op hoge snelheid was dit verre van praktisch en daarom maakte de Noor een binding waarbij ook de hielen van de skiër vastzaten. In de loop van de jaren is het alpineskiën en het materiaal enorm veranderd.
Waar de sport eerst diende als transportmiddel in de sneeuw, werd het in de 19e eeuw ook een wedstrijdsport. De eerste wedstrijd werd in 1840 georganiseerd en in 1868 vond de eerste nationale competitie plaats, allemaal in Noorwegen. Niet veel later verspreidde de sport zich naar de rest van Europa en de VS. De eerste slalomcompetitie werd in 1922 georganiseerd in het Zwitserse Mürren. Vele ontwikkelingen volgden, zowel qua wedstrijdformat als qua omvang, tot de sport die het nu is. Inmiddels zijn er verschillende disciplines waarop de mannen en vrouwen strijden om de snelste tijd.
De zes disciplines van het alpineskiën
Het alpineskiën dat we vandaag de dag kennen, heeft verschillende disciplines. Dit zijn: slalom, reuzenslalom, super-G, afdaling de parallelwedstrijden en alpine combinatie. Elke discipline heeft z'n eigen regels voor het parcours en het materiaal van de atleten. Hieronder volgt een kort overzicht van de verschillende disciplines, de officiële afkorting, de materiaaleisen die erbij horen en de vertalingen in het Engels en Duits. Het overzicht hieronder heeft betrekking op de World Cup-wedstrijden. Voor de jeugd en deelnemers aan de Europacup- en FIS-wedstrijden gelden andere regels en materiaaleisen.
Slalom (SL)
De slalom is het onderdeel waar de meeste techniek bij komt kijken. Dit is de discipline waar de bochten het kortst zijn. Skiërs hebben hier een beugel aan hun helm, kappen op hun skistokken en scheenbescherming. Bij deze wedstrijden skiën de deelnemers tegen de palen aan. De slalom wordt in 2 runs geskied. Run 1 op volgorde van startnummers en bij run 2 gaan de snelste 30 in omgekeerde volgorde. Dus degene die de 30e tijd heeft geskied, start in de tweede run als eerste en degene die de snelste tijd heeft geskied, start als laatste.
- Nederlands: slalom
- Engels: slalom
- Duits: Slalom
- Lengte ski's vrouwen: minimaal 155 cm
- Lengte ski's mannen: minimaal 165 cm
- Radius ski's: geen eisen
Reuzenslalom (GS)
Reuzenslalom is het ‘klassieke’ technische onderdeel, maar dan met meer snelheid en grotere bochten dan bij slalom. De poorten staan verder uit elkaar, waardoor racers langere lijnen skiën en veel tempo maken, terwijl precisie en ritme nog steeds allesbepalend zijn. Net als bij slalom gaat reuzenslalom meestal over 2 runs: de tijden worden bij elkaar opgeteld. Extra spannend voor kijkers: in de tweede run starten de snelste 30 vaak in omgekeerde volgorde, waardoor kleine fouten ineens grote gevolgen kunnen hebben.
- Nederlands: reuzenslalom
- Engels: giant slalom
- Duits: Riesenslalom
- Lengte ski's vrouwen: minimaal 188 cm
- Lengte ski's mannen: minimaal 193 cm
- Radius ski's vrouwen: minimaal 30 m
- Radius ski's mannen: minimaal 30 m
Super-G (super giant slalom)
Super-G is de discipline waarin snelheid en techniek het meest in balans zijn. De poorten staan verder uit elkaar dan bij de reuzenslalom, maar dichter op elkaar dan in de afdaling. Daardoor skiën de atleten met hoge snelheid door lange bochten, afgewisseld met technische passages, golvend terrein en soms een sprong of compressie. In tegenstelling tot slalom en reuzenslalom is Super-G meestal één run: één foutje of een te wijde lijn kan direct seconden kosten. Omdat er doorgaans geen officiële trainingsrun is zoals bij de afdaling, draait het extra om baaninspectie, timing en het snel ‘lezen’ van het terrein.
- Nederlands: Super-G (supergigant)
- Engels: Super-G (Super Giant Slalom)
- Duits: Super-G
- Lengte ski's vrouwen: minimaal 205 cm
- Lengte ski's mannen: minimaal 210 cm
- Radius ski's vrouwen: minimaal 40 m
- Radius ski's mannen: minimaal 45 m
Afdaling
Bij dit discipline is de snelheid het hoogst en zijn de sprongen het verst. Er zitten weinig bochten in het parcours, er zijn zelfs stukken waarbij je letterlijk recht naar beneden gaat. Afdaling en Super G lijken vrij veel op elkaar, maar je kunt ze uit elkaar houden door te kijken naar de kleuren van de poorten. Bij Super G zijn de poorten waar de skiërs omheen skiën afwisselend rood en blauw, bij de afdaling zijn alle poorten dezelfde kleur. Ook bij de afdaling skiën de atleten maar 1 run. De afdaling is het spectaculairste onderdeel, waarvan de Hahnenkamm-Rennen de populairste wedstrijd is. Deze wordt jaarlijks georganiseerd in Kitzbühel.
- Nederlands: afdaling
- Engels: Downhill
- Duits: Abfahrt
- Lengte ski's vrouwen: minimaal 210 cm
- Lengte ski's mannen: minimaal 218 cm
- Radius ski's vrouwen: minimaal 50 m
- Radius ski's mannen: minimaal 50 m
Alpine combinatie
De naam zegt het al, dit is een combinatie van twee disciplines. Hierbij skiën de skiërs een run afdaling of Super G, gevolgd door een run in de slalom. De tijden van deze runs worden opgeteld en wie uiteindelijk de snelste tijd neerzet, heeft gewonnen.
Parallel (PSL of PGS)
Ook wordt er een aantal keer per seizoen een parallelwedstrijd georganiseerd. Dit kan in de vorm van een slalom of reuzenslalom zijn. Hierbij staan twee identieke parcours naast elkaar, waarbij de skiërs tegelijkertijd starten. Ze starten of in het rode parcours, of in het blauwe parcours. Na deze eerste run, skiën ze nog een tweede run. Dit doen ze in het andere parcours, zodat beide skiërs een keer het rode en het blauwe parcours hebben geskied. Degene die de snelste totaaltijd heeft, gaat door naar de volgende ronde.
World Cup
De naam 'World Cup' doet misschien denken aan wereldkampioenschappen, maar dat is het zeker niet. Het hele seizoen door worden verschillende wedstrijden per discipline georganiseerd. Deze zijn onderdeel van een seriewedstrijd, de World Cup. Aan de hand van een puntenberekening krijgt iedere skiër een bepaald aantal punten (deze berekening zullen we jullie besparen ;-) ) en de skiër die aan het eind van het seizoen de meest punten heeft, wint de World Cup-titel op die discipline. Degene die overall, dus op alle disciplines, de beste resultaten heeft behaald, krijgt de World Cup Overall titel.
- Nederlands: wereldbeker
- Engels: World Cup
- Duits: Weltcup/Ski-Weltcup/Weltcup-Rennen
Wereldkampioenschappen Alpineskiën
Elke twee jaar worden de Wereldkampioenschappen alpineskiën georganiseerd. Hierbij vinden wedstrijden van alle disciplines plaats, en landenwedstrijd in de vorm van een parallelslalom of parallelreuzenslalom.
- Nederlands: Wereldkampioenschappen alpineskiën
- Engels: World Championships alpine skiing/FIS World Ski Championships
- Duits: (Alpine) Skiweltmeistershaft
Olympische Winterspelen
Alpineskiën is ook onderdeel van de Olympische Winterspelen. Voor wedstrijdskiërs hét moment om bij te wonen. Lees hier alles over de Olympische Winterspelen ›››