Er bestaat tijdens een wintersport een heel specifiek moment waarop zelfs de gezelligste reisgezelschappen tijdelijk veranderen in onaardige mensen. Het duurt meestal niet langer dan een kwartier. Het begint ergens tussen het ontbijt en het aantrekken van de skischoenen en eindigt zodra iedereen daadwerkelijk onderweg is naar de lift.
Het is het kwartier waarin niemand aardig is
Bij mij begint het probleem eigenlijk al iets eerder. Ik behoor namelijk tot de categorie mensen die structureel denkt dat er meer minuten in een uur zitten dan de klok aangeeft. Als we om 08.30 uur bij de lift willen staan, kan ik om 08.12 uur nog verrassend ontspannen zijn. Jas aan, skischoenen aan, spullen pakken.
Hoeveel tijd kan dat nou helemaal kosten?
Veel, blijkt iedere keer weer.
Want skischoenen aantrekken is zoiets waar ik eigenlijk wél de tijd voor wil nemen. Mijn sokken moeten goed zitten. Geen rare vouwtjes, thermobroek niet ergens dubbel, skischoen netjes dicht. Daar ben ik behoorlijk precies in. Alleen is precisie een lastig concept wanneer iemand ondertussen roept dat de skibus over zes minuten vertrekt.
Dan begint het.
Waar zijn mijn handschoenen? Wie heeft mijn skipas gezien? Lag die niet hier of toch in mijn andere jas? Waar is mijn andere skisok? Heeft iemand mijn zonnebrand? Zit mijn telefoon in mijn jas? Nee, dat is niet mijn helm. En wie heeft in vredesnaam mijn goggles verplaatst?
Die laatste kan ik overigens beter niet te hard roepen. Ik heb het namelijk ooit voor elkaar gekregen mijn goggles zelf verkeerdom op mijn helm te zetten. Niet een beetje scheef. Gewoon volledig 180 graden gedraaid.
Ik had niets door.
Wel merkte ik dat de mensen om me heen nogal veel plezier hadden. Ik keek nog om me heen om te ontdekken wat er zo grappig was. Misschien stond er iemand achter me met een rare muts op. Tot uiteindelijk duidelijk werd dat ík de attractie van de ochtend was.
Ondertussen tikt de klok door.
Nog vier minuten tot de skibus.
En dan gebeurt er iets wat volgens mij uitsluitend voorkomt wanneer je een skipak, thermokleding, skisokken, skischoenen, jas, helm en handschoenen aan hebt.
Je moet plassen.
Niet een klein beetje. Nee, ineens zodanig dat vertrekken absoluut geen optie meer is.
Dus daar ga je weer. Handschoenen uit. Jas open. Helm ergens neer. En afhankelijk van je outfit begint vervolgens een soort ontsnappingsact waar Houdini nog iets van had kunnen leren.
Nog twee minuten.
Ik heb daadwerkelijk weleens op skischoenen naar een skibus gerend. Voor zover je dat rennen kunt noemen. Iedereen die ooit op skischoenen een sprintje heeft geprobeerd te trekken, weet dat het vooral veel geluid maakt en er bijzonder weinig snelheid tegenover staat.
KLOK. KLOK. KLOK. KLOK.
Terwijl je met ski’s over je schouder richting de halte dendert en de chauffeur waarschijnlijk al lang heeft besloten dat hij niet op je gaat wachten.
Op zo’n moment is niemand aardig. Degene die al tien minuten klaarstaat, vindt iedereen irritant. Degene die zijn handschoen kwijt is, weet zeker dat iemand anders hem heeft verplaatst. Degene die de tijd in de gaten houdt, roept iedere dertig seconden hoeveel minuten er nog zijn. En degene die altijd denkt dat er nog zeeën van tijd zijn, vindt vooral dat iedereen zich niet zo moet opjagen.
Die laatste ben ik dus.
Het wonderlijke is dat het daarna ook meteen voorbij is.
Je haalt de bus. Of net niet. Je komt bij de lift, klikt in je ski’s en een paar minuten later zit je samen in de stoeltjeslift. De zon komt boven de berg uit, de pistes liggen er prachtig bij en iemand zegt hoe lekker de sneeuw vandaag is.
Niemand heeft het nog over die verdwenen handschoen. Niemand is meer boos omdat er nog geplast moest worden. Zelfs mijn achterstevoren gemonteerde goggle is uiteindelijk gewoon weer goed gekomen.
En morgen doen we het opnieuw.
Alleen dan beginnen we écht vijf minuten eerder.
Waarschijnlijk.